“Scholen moeten hun curriculum openstellen voor bibliotheken”, vindt Anko van Hoepen, vicevoorzitter van de PO-Raad, de sectororganisatie voor het primair onderwijs. Want het is van cruciaal belang dat kinderen weer gaan lezen. Maar hoe ziet hij dat voor zich? Wat vraagt dat van het onderwijs en De Bibliotheek?
Van Hoepen vindt het nog steeds onbegrijpelijk hoe lauw er is gereageerd op het PISA onderzoek over het dalende leesniveau van Nederlandse kinderen. “Het is niet zo dat we het internationaal wat slechter doen. We hebben echt een groot probleem. Bijna een kwart van de 15-jarigen loopt het risico om laaggeletterd te worden. Dat zijn mensen die straks aan de kant staan. Dat mogen we als rijk land niet laten gebeuren. Het onderwijs kan dit niet alleen oplossen. Zeker nu er zo’n groot lerarentekort is. Een vergaande strategische samenwerking met bibliotheken is hard nodig om kinderen weer aan het lezen te krijgen.”
Maar bibliotheken en scholen werken toch al samen?
“Natuurlijk hebben we de Bibliotheek op school. Maar veel te vaak is dat een losse activiteit. De school heeft ruimte over en ziet het als een mooie profilering richting ouders. De bibliotheek heeft ruimte nodig omdat een filiaal verdwijnt. Maar aan visie en leesbeleid ontbreekt het vaak. Ook zie ik vaak te weinig assertiviteit bij bibliotheken. Ze gaan het gesprek met het onderwijs wel aan, maar niet op het juiste niveau. Ze maken bijvoorbeeld een afspraak met een schooldirecteur, terwijl ze voor een vergaande strategische samenwerking met het schoolbestuur aan tafel moeten zitten. Andersom ontbreekt die assertiviteit ook. Scholen zouden veel vaker zelf naar de bibliotheek moeten stappen met vragen over lezen of digitale geletterdheid.”
Wat is er nodig om die samenwerking beter vorm te geven?
“Om te beginnen moet het bevoegdhedenstelsel binnen het onderwijs op de schop. Nu staat alleen de leerkracht bevoegd voor de klas. Alles wat daarnaast gebeurt, wordt gezien als een losse activiteit. Ook het bezoek van de leesconsulent. Dat moet anders. De PO-Raad pleit ervoor dat er meer specialisaties komen in een team van leerkrachten. Want waarom heb je wel een vakdocent voor gymnastiek, maar niet voor een belangrijke vaardigheid als lezen? Deze gespecialiseerde leerkrachten werken dan natuurlijk nauw samen met de leesconsulenten van de bibliotheek. Zo wordt leesmotivatie echt onderdeel van het curriculum en geen los dingetje.”
Leesleerkrachten dus?
“Ja. Want kinderen krijgen plezier in lezen als ze een boek krijgen aangeboden dat precies past bij hun interesses en belevingswereld. Wie met plezier leest, leest meer en daardoor ook steeds beter. Maar het vinden van het juiste boek is niet altijd makkelijk. Daarvoor is veel kennis van boeken nodig. De expertise van de leesconsulent is dan een mooie aanvulling op de kennis van de leerkracht.”
Maar iedere leerkracht moet toch iets met lezen hebben?
“Ik was laatst op een pabo en hoorde een student zeggen dat hij niets met boeken had. Dan heb je de verkeerde opleiding gekozen, vind ik. Zeggen dat je niet van lezen houdt is hetzelfde als zeggen dat je niets met kinderen hebt. Het is dan ook belangrijk dat pabo’s werk maken van leesplezier bij hun studenten en dat studenten zich veel beter verdiepen in kinderboeken. Tegelijk moet een leerkracht een duizendpoot zijn die alles kan. Van rekenen en biologie tot digitale geletterdheid. Natuurlijk heb je niet met alle onderwerpen evenveel. Maar lezen is een kerncompetentie.”
Zijn bibliotheken genoeg zichtbaar geweest voor het onderwijs als partner voor leesbevordering en mediawijsheid?
“Nee. Bibliotheken zijn te lang vooral bezig geweest met hun eigen voortbestaan. In gesprekken met de lokale politiek ging het dan vooral over randzaken als huisvesting. Terwijl je juist in tijden van crisis moet laten zien waar je van bent. Dat je een maatschappelijk probleem kunt oplossen. Een probleem dat ook de gemeente aan gaat. Je moet dan vooral niet in je gebouw blijven zitten maar nauw gaan samenwerken met anderen. Want gemeente, school en bibliotheek hebben uiteindelijk hetzelfde doel: dat ieder kind actief mee kan doen in de maatschappij.”
Maar er zijn toch genoeg plekken waar dat al gebeurt?
“Jazeker. Er zijn genoeg mooie voorbeelden in het land waar bibliotheken en onderwijs wel nauw samenwerken. Maar niet overal. Terwijl alle kinderen in Nederland recht hebben op goed onderwijs. Er zijn scholen die niet eens weten dat de bibliotheek een wettelijke taak heeft op het gebied van leesbevordering. Vaak zien ze het ook niet als een plek waar ze terecht kunnen met hun vragen over mediawijsheid. Terwijl daar genoeg mooie kansen liggen. Wel vind ik dat de nadruk nu op leesvaardigheid moet liggen. Digitale geletterdheid is een must en krijgt terecht een prominent plek in het nieuwe curriculum. Maar wie niet goed kan lezen kan ook digitaal niet uit de voeten.”
En wat is nu de volgende stap?
“De PO-Raad gaat samen met SPN, de KB, VOB en Stichting Lezen werk maken van die structurele samenwerking. Vooral richting het ministerie van OCW. Binnen het ministerie staan de O en de C nog veel te los van elkaar. Wij moeten laten zien dat die verbinding er wel is. Er is een stevig aanvalsplan nodig om het belang van lezen weer tussen de oren te krijgen.”